De mens als multi-instrumentalist – een holistisch betoog tegen spirituele eenzijdigheid

Een mens is één geheel en te zien als een complex, modulair samenwerkingsverband van systemen en vermogens. Al deze ‘instrumenten’ hebben hun eigen, specifieke functies binnen het grotere geheel. De belangrijkste in de context van dit stuk zijn:

  • Het instinctieve brein: (het snelle, evolutionaire overlevingsbrein): Dit is ons basale inschattingssysteem dat primair gevaar, kansen en eenvoudige causaliteiten detecteert. Omdat dit instrument grotendeels onbewust, geautomatiseerd en emotiegestuurd opereert, is het hardnekkig en uiterst lastig te veranderen of verbeteren. Dit omvat eveneens de fundamentele emotionele systemen die razendsnel reageren op wisselende interne en externe prikkels. Deze systemen kunnen beter gaan opereren als andere systemen actief worden getraind en de levenservaring groeit.
  • De rede/analytisch vermogen: Het vermogen tot werkelijke abstractie, reflectie en kritisch nadenken. Dit is iets wezenlijk anders dan malen en piekeren—dat laatste is geen denken, maar louter verbale ruis; het symptoom van een conflict waarmee niet adequaat wordt gedeald. In tegenstelling tot het tamelijk rigide verstand/instinctieve brein is de rede flexibeler en vatbaarder voor verandering. Het kost vrij veel energie, is veranderbaar door serieuze studie en/of toewijding aan een vakdiscipline. Gaandeweg kan werkelijk kritisch nadenken en reflecteren en intellectuele eerlijkheid steeds gemakkelijker worden. 
  • Fluïde intelligentie: Snel complexe informatie kunnen verwerken, werkt goed samen met cognitieve flexibiliteit waarmee we snel kunnen schakelen, wordt enkel beter door veelvuldig gebruik, zoals met meer systemen het geval is. Vraag blijft altijd waar het voor wordt ingezet… bij elk systeem.
  • Intuïtie: Bliksemsnelle patroonherkenning, deels bewust, deels onbewust. Er ruimte aan leren geven is een groot goed. Werkt ook als ‘stem van het onbewuste’ – ook van fors belang in creatieve processen en zelfonderzoek.
  • Synthetisch vermogen: Gehelen kunnen zien, overzicht houden, holistisch of integraal ervaren, werkelijk beseffen dat het geheel meer is dan de som der delen, besef van context en setting.
  • Onderscheidingsvermogen: Het mentale vermogen om te kunnen bepalen wanneer men moet handelen en wanneer men dat juist moet nalaten, het vermogen het kaf van het koren te scheiden en verschillen en kenmerken te onderscheiden in complexe, genuanceerde situaties. Het kunnen herkennen welk systeem nu het voortouw dient te nemen en wanneer te pauzeren. 
  • Invoelingsvermogen: Het vermogen om de ander(en) te ‘lezen’ en zich in de ander te verplaatsen, ook: sfeergevoeligheid (reading the room). 
  • Emotionele intelligentie/competentie: Het kunnen herkennen en reguleren van emoties bij jezelf (en anderen daarbij helpen), effectief kunnen communiceren zonder de verbinding kwijt te raken, kunnen ervaren of iets ‘landt’. Ook kunnen aanvoelen wat een ander nodig heeft of wat voor sfeer er is. Tevens: niet meer overdreven bevreesd zijn voor ongemakkelijke situaties of eventuele frictie met anderen. Eerlijk durven zijn en beschikken over zelfreflectie – het eigen aandeel (of medeplichtigheid) betreffende allerlei gebeurtenissen en sociale interacties erkennen.
  • Het lichaam: De fysieke feedbackloop van en naar het zenuwstelsel. Deels levert dit directe data over het organisme, deels is het pure projectie van het brein. Als de hersenen dreiging constateren, verkrampt de maag; als het brein gewend is aan nicotine, reageert het lijf na onthouding met onrust. Het lichaam heeft nooit moreel of intellectueel ‘gelijk’, het is geen ‘baken van waarheid’; het 2-wegsysteem reageert simpelweg snel en hooguit halfbewust  op allerlei vormen van input en genereert zo een myriade aan signalen die het brein vervolgens nog moet zien te interpreteren. Kan veel bij goed- en misgaan.
  • Overige vermogens/systemen: zoals het fight/flight/freeze systeem, geheugen, proprioceptie, contextualiseren, concentratie, verbeeldingskracht, gevoel voor humor, oriëntatie, relativering, organisatie, creativiteit, muzikaliteit, taalvaardigheid, en dergelijke. 


Dit uiterst gevarieerde samenstel van systemen en instrumentarium wordt onvermijdelijk gevormd en beïnvloedt door in elk geval drie ‘krachten’: onze individuele genetische opmaak (die tot wel 30-50% van onze persoonlijkheidstrekken, IQ en basale flexibiliteit stuurt – maar niet fixeert), vroege en latere conditioneringen (zoals geïnternaliseerde overtuigingen, emotionele residuen, normen en waarden) en de actuele omgevingsfactoren (socio-economische status, relaties/werk, gezondheid). Niets opereert in een vacuüm!
De systemen en de steeds wisselende omstandigheden beïnvloeden elkaar continu. 
De meer trainbare systemen (de ‘instrumenten’) neigen ertoe elkaar gaandeweg te versterken en kunnen ook beter gaan samenwerken. Zo kan de algehele cognitieve efficiëntie gaandeweg nog toenemen doordat onder meer de ‘rede’, de intuïtie, het EQ, het synthetisch denken en de cognitieve flexibiliteit verbeteren en sterker ‘verbonden’ raken en als er de nodige kennis-en ervaringstoename plaatsvind. En het EQ en de intuïtie doordat de andere genoemde systemen effectiever worden en er meer levenservaring wordt opgedaan, enzovoorts. Neuroplasticiteit vermag een hoop, maar feilloos wordt men nooit. Evenwel is beter doorgaans gewoon beter. Uiteraard kunnen allerlei systemen ook gaandeweg, door allerlei oorzaken en omstandigheden, stagneren, verarmen of verder ontregeld raken.

Het fabeltje van het ‘zuivere kompas’

Alle systemen en ‘instrumenten’ zijn weliswaar geïntegreerd in het lichaam, maar zijn er daardoor nog niet synoniem mee. Het lijf is ook niet synoniem met één specifiek systeem. Daarnaast zit het menselijk organisme vol onbewuste patronen, cognitieve biases, emotionele residuen, identiteit beschermende weerstanden, vooroordelen, inadequate kennis, zelfrechtvaardigingsmechanismen, attributiefouten en conformistische trekken. Bovendien zijn veel van genoemde innerlijke instrumenten bij de gemiddelde mens zelden optimaal ontwikkeld.

Toch claimt de populaire spirituele (wellness) cultuur dat er één subsysteem zou bestaan dat op wonderbaarlijke wijze immuun is gebleven voor deze invloeden, imperfecties en vervormingen en feilloos zou werken: ‘het lijf’!
Maar geen enkel vermogen is een onfeilbaar kompas! De rede alleen is vleugellam, puur voelen is een stuurloos dwalen, en blindvaren op emotioneel-fysieke impulsen is ronduit destructief. Modieuze mantra’s als “vaar altijd op je gevoel”“je lijf weet het”, “het hart weet altijd raad”, “het lichaam liegt niet” overleven de confrontatie met de werkelijkheid nog geen dag. Het zijn intellectuele fopspenen voor wie de complexiteit van het eigen feilbare organisme niet onder ogen durft te zien – en daardoor nog verlangt naar, en gelooft in, één onfeilbaar instrument. Hoe naïef is dat!? Als ik nu maar luister naar ‘het lijf’ komt alles vanzelf wel goed?
 
Nog los van de kinderlijke simpliciteit ervan, genereert dit soort modieuze memes een dualistische verdeeldheid door hoofd en hart, of ratio en lichaam (body versus mind), als een soort vijanden tegenover elkaar te stellen. Men doet alsof de ratio een koud, kwaadaardig mechanisme is dat ook nog eens losstaat van emoties en gevoelens of beweegredenen en waarden – wat nooit het geval is. Daarmee wordt een uitermate complex, sensitief, verwerven, modulair netwerksysteem kunstmatig in tweeën geknipt.
Het is een even lachwekkende als tenenkrommende tegenstrijdigheid: de cultuur die zweert bij ‘holisme’ introduceert hierdoor een hyper-reductionistisch, dualistisch en primitief schisma.
Dat vijandige beeld wordt gevoed door een overduidelijk diep onbegrip over wat rationaliteit eigenlijk inhoudt en hoe fundamenteel het verbonden is met het gehele organisme. Maar mijn oren zijn in elk geval niet de vijand van mijn handen. Mijn intuïtie zit mijn invoelingsvermogen niet in de weg, en beiden bestrijden mijn ratio niet. En: deze instrumenten of systemen opereren nooit of te nimmer onafhankelijk van elkaar.

Een wijs mens benut en ontwikkelt álle modules voor zover dat gaat, zonder er één tot de alwetende tiran te verheffen, of een andere te verketteren. (We nemen hier nog eventjes voor het gemak aan dat er een ‘benutter’ of bestuurder zou bestaan). Zo’n mens houdt tevens rekening met toeval, wisselwerking en de vaak onvoorspelbare bijeffecten van handelingen en beseft bovendien dat hij of zij ernaast kan zitten. 
Ontstaat er (innerlijke) frictie, en die zal hoe dan ook optreden, dan betekent dat, dat die eens goed en grondig moet worden onderzocht. Gebruikmakend van allerlei instrumenten, bij voorkeur. En niet dat er maar snel de toevlucht genomen moet worden tot één heiligverklaard subsysteem om de frictie te ontlopen, weg te kijken, je gauw weer ‘goed’ te voelen, of goedkope empathie te oogsten – en al doende weer niks te leren. (Gelukkig werkt die eenzijdigheid ook niet echt, wat men zichzelf of elkaar ook wijs wil maken. Maar deze attitude hindert het opgroeien en vaardig worden wel degelijk, want men traint zo eenzijdigheid.)

De statusrapportage van het lijf

Het lichaam levert geen universele wijsheid, maar een statusrapport. Het reflecteert simpelweg de toestand van het organisme binnen een actuele context. Het zendt geconditioneerde reflexen, triggers, en biologische signalen en info uit naar het brein. Het maakt ook allerlei bewuste én onbewuste beweegredenen voelbaar, die in het brein actief zijn. Het lichaam is een twee-wegsysteem zoals gezegd. Maar zonder rigoureuze interpretatie, kritische reflectie én adequate kennis heb je aan al die fysieke signalen en sensaties bar weinig. Sterker nog: wie blind vaart op de sensaties van zijn zogenaamd alwetende lijf, stuurt zichzelf gegarandeerd in zeven sloten tegelijk. 

De populaire stelling “het lijf liegt nooit” impliceert een leugenaar. “Het hart heeft het beste met je voor” veronderstelt een kwaadaardig tegendeel. De spirituele wereld wijst dan direct naar het hoofd of de ratio. Dit is een valse dichotomie. Wat men doorgaans voor ‘denken’ aanziet, is vaak helemaal geen denken. Het is doorgaans emotioneel gestuurd, angstig en onhelder mentaal gebazel. Het is de verbale ruis van mensen die niet kunnen uitzoomen, een matige patroonherkenner hebben, een gebrek aan onderscheidingsvermogen vertonen en weigeren te leren hoe een emotie of gevoel bewust te ervaren—laat staan dat ze weten hoe ze werkelijk kritisch moeten denken. Konden ze dat wel, of in elk geval beter, dan zouden ze niet zo chronisch malen en piekeren en zo snel van slag raken.

Ironisch is dat dergelijke mensen graag de beperkingen van de ratio proberen aan te tonen met quasi-rationele argumenten, waarmee ze vooral hun eigen onhelderheid nog eens onderstrepen. Werkelijk alles in de mens is beperkt! Het verstand, het gevoel én dus ook het ‘hart’ (of ‘lijf’). Dat zou bekend moeten zijn als je een paar decennia hebt rondgelopen en je ogen niet in de zak hebt zitten. Dezelfde soort kromme redeneringen worden ingezet om het lijf of hart tot zaligmakend te verklaren in de spiri-wellness wereld.

De door hen gebruikte termen zijn trouwens nogal vage, metaforische koepeltermen. Fysieke sensaties, intuïties, gevoelens en impulsen worden op een hoop gegooid en geplaatst tegenover het kwalijke ‘in je hoofd zitten’ of ‘rationeel zijn’. Maar deze bedachte polariteiten zijn te beperkt en grof. Je kunt niet alles met de ratio, maar ook niet met enkel je lijf. Bovendien is intuïtie eerder een mentaal vermogen (patroonherkenning) dan een lijfelijk proces. Natuurlijk is het bewust doorvoelen van emotionele ladingen een goede zaak en moeten gevoelens en fysieke reacties niet steeds worden onderdrukt. Uiteraard is helder nadenken zinnig, en je intuïtie leren gebruiken in plaats van negeren een goed plan. 

In je hoofd zitten is vanzelfsprekend niet optimaal, en duidelijk is dat die lijf-en-hart slogans als remedie daartegen zijn bedoeld. Maar dat ‘in je hoofd zitten’ suboptimaal is, verheft ‘het lijf’ (of ‘het hart’) niet zomaar tot het beste instrument. De ene eenzijdigheid vervangen door een andere is absoluut geen vooruitgang. Een fout kun je doorgaans niet met nog een fout repareren. Want ‘lijf en hart’ vormen slechts een deel van het complete instrumentarium, net als het metaforische ‘hoofd’. Twee keer half maakt in deze context nog steeds geen ‘heel’, wat de wellness-spiri-cultuur ook maar beweren mag. En ook het ‘lijf en hart’ zitten, net als de andere systemen, vol met de al genoemde conditioneringen, valse behoeften, verdedigingsmechanismen, vervuiling, kinderlijke trekken, residuen en ontwijkende neigingen. 

De vlucht in de infantilisering

Neem het voorbeeld van iemand die uiterst beschermd en pamperend is opgegroeid. Zodra deze persoon in contact komt met een kritische tegenpool, ontstaat er cognitieve dissonantie. Dit uit zich ook fysiek: een nare knoop in de maag en hartkloppingen. Wie nu gelooft dat “het lijf nooit liegt”, zal vrijwel elke vorm van gezonde feedback voortaan mijden ‘want het voelt niet goed’. Elke vorm van kennis (of onderricht) die te lastig voelt, moeilijk is of schuurt wordt vervolgens ontweken. Het moet immers fijn zijn en goed voelen! Het is de ultieme legitimatie om emotioneel en intellectueel infantiel te blijven. Cognitieve dissonantie hoort echter bij groei, vaardigheden ontwikkelen en leren, net als twijfel, en ergens een tijdlang mee worstelen.

Dit weekhartig en halfbakken gedoe sluit naadloos aan bij de hedendaagse concept creep, waarbij de betekenis van psychologische of spirituele termen steeds verder opgerekt wordt om alledaags ongemak te pathologiseren. Een pittig gesprek wordt tegenwoordig al snel bestempeld als ’traumatisch’, en wat niet lovend, lief of affirmatief is, wordt steeds sneller afgedaan als onaardig, kwetsend of zelfs vijandig. Want ‘het voelt niet goed’, ‘mijn hart zei nee’…, ‘mijn innerlijk kind verdraagt dit niet’.

Nogmaals: elk menselijk instrument kan fragiel blijven door gebrek aan uitdaging en input, vervuild raken, ernaast zitten, of op het verkeerde moment de leiding opeisen. Er bestaat simpelweg geen enkel subsysteem dat immuun is voor de ‘leugen’, inschattingsfout of de misvatting. Nooit. Dus ook het zogenaamd verheven ‘lijf’ niet.

De multi-instrumentalist

Natuurlijk hebben we ook onze snelle systemen hard nodig – echt nadenken is zoals gezegd een vrij traag systeem dat vrij veel energie kost. Veel situaties vragen echter om een onmiddellijke handeling en niet om een verhandeling. We leven nu eenmaal in een dynamische realiteit die ons veelvuldig triggert en uitdaagt. Wanneer die snelle systemen gevoed zijn door een diep reservoir aan kennis, vaardigheid en ervaring, functioneren ze meestal verrassend accuraat—mits je blijft leren en jezelf blijft ontwikkelen. 

Maar hoe je het ook wendt of keert: honderd procent betrouwbaarheid bestaat niet. Wie blind vertrouwt op slechts één instrument, kan op een hoop emotionele, fysieke, intellectuele en sociale ellende rekenen – en groeit nooit echt op. Wie één enkel subsysteem aanprijst als de ultieme waarheid, houdt zichzelf én anderen voor de gek. En dat is kwalijk.

Intellectueel onvaardig of emotioneel incompetent blijven mocht altijd al en kost weinig moeite; het brein functioneert nu eenmaal graag op de biologische spaarstand. Jezelf veelzijdig ontwikkelen daartegenover kost energie, toewijding, theoretisch fundament en externe correctie. Het is exact als het leren bespelen van een piano of gitaar. Prutsen kan iedereen, maar werkelijke vaardigheid komt nooit uit de lucht vallen. Zonder inspanning en frictie komt geen enkele aanleg of ’talent’ tot wasdom, op welk terrein dan ook.

In wezen zijn we allemaal een soort multi-instrumentalisten in wording. We dienen onze diverse snelle en trage systemen te doorgronden, te cultiveren, op te schonen en dynamisch te laten samenwerken, voor zover mogelijk. Pas wanneer ‘de rede’ werkelijk helder is, herken je het moment om over te schakelen op intuïtieve patroonherkenning. Werkt je invoelingsvermogen naar behoren dan voel wanneer te stoppen met praten, om de ander de ruimte te geven. Als je onderscheidingsvermogen echt aan staat weet je wanneer het denken moet stoppen en plaats moet maken voor het fysieke of het onbewuste creatieve. Als die en dergelijke systemen goed genoeg werken begrijp je wanneer je een emotie moet doorvoelen, of wanneer je simpelweg moet afwachten en de aandacht moet verleggen naar het pure bewustzijn zelf (dat we hier verder buiten beschouwing laten), of dat het handiger is om nu maar eens even de afwas te doen.

Niet apart, of in strijd met elkaar, maar samen. Dat is de werkelijke kunst van het mens-zijn naar mijn smaak. 

Uitsmijter

Feitelijk zijn wij die gehele collectie instrumenten. Er is geen losstaande dirigent of producer die de systemen bedient. Dat het hierboven zo werd gepresenteerd, was puur voor het gemak—en om de cognitieve dissonantie niet meteen op te jagen. Onze taal dwingt die structuur nu eenmaal af.

Er is geen inwonend principe dat de boel in goede banen leidt. Er zijn interactieve systemen, schuifregelaars en controls, maar er is geen controller, ziel of zelf. Dat verandert overigens niets aan de kern van dit betoog. Want mocht u zich afvragen wie dan die multi-instrumentalist moet worden? Het antwoord is: het hele systeem. Het is een zelflerend orkest waar geen apart ‘ikje’ aan te pas komt. Het woord ‘ik’ slaat simpelweg op het geheel van deze complexe, belichaamde systemen. De gehele modulaire ‘biocomputer’. Dat klinkt niet zo romantisch maar geeft wel een integraal en compleet beeld. En daar ging het hier om. Het was immers een betoog tegen eenzijdigheid.

Hans Laurentius – september ‘26, Heijen, NL.

Ja, ik doe mee!